Een naam bedenken voor een nieuw, Nederlands ‘dagblad-online’
In een vorige post schreef ik op 18 februari naar aanleiding van het boekje ‘de Nieuwsfabriek’ van Rob Wijnberg over diens plannen voor een nieuw initiatief in het Nederlands journalistiek landschap. Er zijn onlangs nog twee waarschijnlijk vergelijkbare initiatieven gelanceerd ben ik achter gekomen, wat me over de streep trok om een vervolgstap in dit domein te zetten.
Deze stap gaat over de namen der dingen, want Wijnberg heeft ons daarover nog in het ongewisse gelaten. Misschien is het strategie zoals Steve Jobs tot de dag van de lancering de naam van de iPad geheim heeft weten te houden, en dat zou best een groot voorbeeld kunnen zijn. Maar misschien ook niet en stond dit als een apart onderwerp onderaan op de prioriteitenlijst, wat in de praktijk helemaal niet vreemd is als je daarboven eerst het publiceren van een boek had staan, met jawel, ook al een naam op het omslag.
Met deze leemte voel ik me vrij om over dit onderwerp te filosoferen en op zaterdagochtend in een stil huis, met echtgenote nog niet wakker en jongste dochter nog maar net binnen en op bed, er even voor te gaan zitten.
Al weet ik dat het kiezen van een naam iets erg persoonlijks is, iets dat iedereen eigenlijk zelf in een flits kan doen en iets dat in de toekomst heel bepalend is, maar tegelijkertijd ook heel onbelangrijk.
Wij hebben het een paar keer gedaan met kinderen. Maar ik kom het ook regelmatig tegen met allerlei creatieve concepten, processen, resultaten en ja zelfs start-ups.
Wat blijkt: in no time is het bijzondere van de bijzondere naam eraf. Als de knoop is doorgehakt ga je over tot de orde van de dag en begint er een nieuw hoofdstuk. Dat wat ze noemen het ‘laden’ van de naam. Inhoud geven aan het karakter dat vanaf dag één de kwaliteit en het imago gaat bepalen en daarmee rol van de mooie fantasie en overwegingen direct overneemt.
Dat proces begint meteen al bij introductie, met de vergelijking van het nieuwe met het bekende: “Wat een lief baby’tje, oh ze lijkt sprekend op die-en-die”. Of als het om een ding gaat: “Goed initiatief, het lijkt op dit-en-dat maar dan gezien vanaf de andere kant en meer van deze tijd…..”
Toch zijn er in de productontwikkeling goede redenen om niet alleen de emotionele kant van een naam te belichten maar ook de technische. Die kant heeft met kosten te maken. Juridische kosten en in het uiterste geval zelfs desinvestering als je niet goed oplet en te dicht bij andere, vergelijkbare initiatieven blijkt te zijn uitgekomen. Je moet voldoende onderscheidend, dus origineel zijn. Er is nog een tweede reden die kostentechnisch vraagt om originaliteit en dat is de domeinnamenkwestie op internet, maar daar kom ik later op.
En dan zijn er, alweer technisch gesproken goede redenen om juist een naam te kiezen die voor het beoogde publiek goed aansluit op verwachtingen. Iets waarvan je snel doorhebt waar het over gaat en nog belangrijker, dat na de eerste impact makkelijk aan het geheugen blijft plakken, een zekere logica heeft en misschien juist ergens wel bekend klinkt. Ga er maar aan staan, tegenstrijdige eisen waar je overigens als ontwerper regelmatig mee te maken hebt.
Laten we beginnen met te kijken naar de inhoud, naar het speelveld van conculegas die iets min of meer vergelijkbaars leveren. Wie lopen er in dat speelveld rond en welke wedstrijd speelt zich daar af?
Als we naar de landelijke kranten in Nederland kijken zien we globaal twee groepen.
De grootste groep is het oudst en het duurst. De oprichting van kranten in die groep begon al helemaal terug in het begin van de 19e eeuw en eindigt wat mij betreft halverwege de 20ste eeuw rond de Tweede Wereldoorlog.
Algemeen Handelsblad (1828), Nieuwe Rotterdamse Courant (1843),
Het Vaderland (1869), De Telegraaf (1893), De Volkskrant (1919), De Waarheid (1940), Het Parool (1941), Trouw (1943), De Stem (1944), Het Vrije Volk (1945), Algemeen Dagblad (1946). De landelijke fusiekrant NRC-Handelsblad, nu kortweg NRC stamt uit 1970 maar bracht dus geen nieuwe naam.

Landelijke dagbladen

Namen in de regionale pers.
Als tweede veel recentere groep zie ik de gratis dagbladen. Metro, Spits, De Pers en DAG, waarvan de laatste twee alweer verdwenen zijn.
Metro (21 juni 1999), Sp!ts (21 juni 1999), De Pers (23 januari 2007), DAG (8 mei 2007). Met Gratis deed in deze groep van vier alleen De Pers iets aardigs: ‘Gratis maar niet goedkoop’

Toevallig of niet, maar rond de komst van Metro en Spits in 1999 werd gratis om nog een andere reden een kernbegrip rond nieuwsvoorziening. Het internet was enkele jaren daarvoor geïntroduceerd en elke organisatie opende zelf een website om zich daarmee op het web te kunnen profileren. Voor overheden was het een makkelijke manier om gratis informatie te verspreiden en voor bedrijven was het aanvankelijk een extra manier om zich te profileren, dus betaald uit het reclamebudget. Maar voor uitgevers lag het anders en zeker voor nieuwsuitgevers. Die wisten heel goed wat er nodig is om professioneel te kunnen publiceren, maar ze konden hun waardevolle inhoud niet zomaar online zetten. Abonnementen voor online nieuws bleken niet verkoopbaar, terwijl aan de andere kant op hetzelfde moment succesvolle gratis bloggers aan de poten begonnen te zagen onder de gevestigde, betaalde uitgeverij.
Indertijd leek het allemaal niet zo’n vaart te lopen, maar als je er op terugkijkt dan zie je de grote lijn van de beweging duidelijk. Een beweging waar we overigens nog midden in zitten en het laatste woord nog lang niet over gesproken is. Velen zien die grote lijn ook wel, maar hebben nog geen idee welke haltes er onderweg zijn en waar ze precies in- of uit kunnen of moeten stappen.
Dat blijkt uit weer een nieuwe golf van journalistieke initiatieven die er nu om het nieuwslandschap heen kabbelen. Er zijn nog geen alarmen afgegaan dat de dijken van de gevestigde orde dit jaar gaan doorbreken. Maar op metaniveau is de storm al een tijd geleden opgestoken en is er permanente dijkbewaking ingesteld. Social Media bijvoorbeeld, een nieuw fenomeen dat de laatste vijf jaar opkwam bedreigt vanuit een andere niet-professionele hoek de gevestigde nieuwsuitgeverij. Al was het alleen maar vanwege de enorme zuigkracht om aandacht die deze voorzieningen uitoefenen op de hersens. Je kan je tijd maar één keer gebruiken, dus in het openbaar vervoer bijvoorbeeld kijk je nu in je smartphone of tablet en nauwelijks in de al of niet toevallig aanwezige gratis krant.
De nieuwe initiatieven zijn dan ook 100% internetgeoriënteerd. Kleinschalig, met nieuwe spelers die zelf de nieuwe spelregels proberen te maken. Op het eerste gezicht geen partij voor de gevestigde orde. Toch zijn er in de afgelopen decennia al vaker misrekeningen gemaakt en heeft de waterloop van de geschiedenis zelf zijn soms onverwachte weg gekozen.
Het gaat om De Nieuwe Pers www.dnpblog.nl The Post Online www.thepostonline.nl en binnenkort de geheimzinnige derde waarover al de nodige buzz is gefabriceerd, ‘Iets nog zonder naam’ uit het boek De Nieuwsfabriek. Dat was voor mij de aanleiding om met dit stukje eens filosoferen over zo’n nieuwe naam.

Links de twee nieuwe online-initiatieven. Rechts het al jaren succesvolle NU.nl voor de nieuwsjunk een verbeterde vorm van Teletekst.

Twee succesvolle blogs die hun bestaansrecht ook al jaren bewezen hebben.
Waarom is een naam eigenlijk belangrijk? Kijk eens naar het eerste rijtje van kampioenen uit het verleden en kijk naar hun stuk voor stuk weinig gecompliceerde namen. Er zit weinig gezwatel bij, om met Hofland vandaag in de krant te spreken. Je probeert als journalist de Waarheid te brengen, gericht op Volk en Vaderland. Dat doe je met je Stem, of met hulp van een Bode, Koerier, een Telegraaf, Courant of Dagblad. En dat doe je voor een doelgroep zoals de Handel, voor in de Metro of in de Spits. En als je de plaatsnaam er ook nog bij betrekt dan heb je het zo ongeveer allemaal gehad. In andere landen is dat niet heel veel anders. De Frankfurter Allgemeine, The Guardian, The New York Times, The Washington Post, Le Monde, El Pais en om de hoek de Gazet van Antwerpen, wat gewoon ‘krant’ blijkt te betekenen.

Kranten zien er over de hele wereld hetzelfde uit en gebruiken allemaal vergelijkbare naam- en merkformules.
Maar ook moderne internet-initiatieven klinken vaak verbazingwekkend gewoon. Misschien wel terecht. Facebook is immers ook gewoon ‘Smoelenboek’, Twitteren is ‘kwetteren’, Om te schrijven heb je Word nodig, ofwel ‘Woord’ vroeger zelfs Word Perfect, inderdaad ‘het perfecte woord’. Internetnaampjes als Spotify (muziek), Skype (bellen), Shazam (muziek herkennen), Layar (informatielaag), Hyves (community), Flickr (foto’s), YouTube (filmpjes), waarin een bestaand woord vaak een associatie- of spellingstwist krijgt, hebben ook een praktische reden. Op internet heb je namelijk een echt unieke naam nodig. In de koopjeskelder variëren prijzen van Eur 100,– voor Golfbrillen.nl tot EUR 2.000,– voor Kijkhiereens.nl. Zakmes.net is wel grappig, maar het is geen .nl domein en je moet er toch nog Eur 500,– voor neertellen.
En omdat dus elk denkbaar normaal woord al verkocht is en de koers van zo’n naam kan oplopen tot honderden, duizenden, ja tienduizenden Euro’s, kiezen startups meestal voor een vrij woord dat kan worden ingekocht voor de nominale waarde, ofwel een paar Euro. Zo’n naam ziet er dus soms wat vreemd, grappig en beslist uniek uit, en is door er het geld niet voor uit te geven het eerst verdiend.

Succevolle internetondernemingen met simpele namen, in het Nederlands zelfs suf klinkend, als Smoelenboek en Gekwetter.


Internetsuccessen met nieuw gefabriceerde namen, van boven naar beneden: Spotify, Skype, Shazam, Layar, YouTube, Hyves, Flickr.
Bij het kiezen van een nieuwe naam voor het internetdagblad van Rob Wijnberg, die in zijn boek ‘de Nieuwsfabriek’ een outline geeft van zijn visie en intenties, lijkt het mij dan ook de kunst om toch iets gewoons te kiezen. Newsy, Opinios, Twoeter, Onlynio, en NiwsFabriq zijn allemaal grappig, maar dat is niet wat Wijnberg c.s. gaat brengen en zich mee gaat associëren. Terecht, want er wordt gemikt op de ervaren krantenlezer die een stevige, hartige hap kan waarderen en juist niet voor de prietpraat, de lifestyle of de 140 tekens gaat. Dat moet ook de groep zijn die bereid is om voor zulke kost met richting en kwaliteit te betalen. En misschien wel aanvullend aan te haken, of wat zeg ik, misschien wel helemaal over te stappen. Het gaat om mensen zoals ik die het normaal vinden om te betalen want dat is essentieel in het model dat gelanceerd gaat worden. Geld uit de markt via reclame werd voor dit initiatief taboe verklaard.
Nee, de naam moet redelijk normaal en geloofwaardig toegankelijk zijn. Dat het per ongeluk toch ineens DeNieuwsfabriek gaat worden, op 21 maart 2012 geregistreerd door Janneke van Beusekom die werkt bij het NoordHollands Dagblad, zie ik ook niet zo snel gebeuren. Of er moet daar ineens een onverwachte relatie liggen. Kortweg Nieuwsfabriek.nl is al op 24 maart 2007 ingekocht door Freestatepublishers, is vast te koop en mag nu een flink, niet nader te noemen bedrag opbrengen. Laat die dus ook maar zitten. Ook al omdat Wijnberg het fabrieksmatige, gefabriceerde juist als de negatieve kant van de nieuwsindustrie belicht.
Het maakproces vind ik persoonlijk niet negatief, eerder knap. Maar inderdaad, werken in een fabriek veronderstelt niet de vrijheden die een journalist zoekt, op jacht naar prooi, rondzwervend over de verschillende terreinen die de maatschappij te bieden heeft. De fabriek is de verwerkende industrie nadat de journalist is teruggekeerd met buit uit de jachtdomeinen.

Journalistiek als werk in een fabriek of vrij in het jachtdomein? Zeker, beeld doet ook wat!
Nou laat die naam maar komen. Ik zie al iets voorbij vliegen. Ja hoor, daar komtie aan.
Het is geworrrrden… Hétttt… NNNNieuwsdomein!!! Taddaa! (hallo, zonder al die extra letters natuurlijk)
Simpel. Moet ik nog wat toelichten, of spreekt het in aansluiting op het voorgaande al voor zichzelf? Het gaat om nieuws. Maar het gaat om meer dan alleen nieuws. Een domeinnaam is ‘internet’. Het is niet-Engels, Hofland moet er z’n zegen over kunnen geven, want geen gezwatel. Het zijn geen associaties met vroeger, papier, post of koerier. Iets is niet ‘in de krant’, iets is vandaag in ‘het Nieuwsdomein’. In dat domein gebeurt er van alles, niet alleen het nieuws op de voorgrond, maar ook dat wat zich nog verborgen in de achtergrond afspeelt. Het gaat over het publieke domein, het gaat over het privé domein. En een aardig weetje uit Wikipedia: In de biologie is het domein de hoogste rang, het hoogste taxonomische niveau. In andere talen wordt ook wel een synoniem voor domein gebruikt: imperium.
OK, Het Nieuwsimperium zou ook kunnen. Keizerlijk on-Nederlands en brutaal ambitieus. Dan moet ik toch meer aan een Murdoch of Berlusconi denken en of dat het juiste gevoel is?
En het nieuws van mijn post hier is: Nieuwsdomein.nl is nog vrij, althans tot vandaag. Nu door mij maar gekocht voor 1 Euro en wat mij betreft gratis over te dragen als bijdrage aan een nieuwe onderneming.
Al gaf ik eerder aan niet te verwachten dat er behoefte aan zo’n overdracht is. Er is allang iets bedacht en er is nog zoveel mogelijk ontdekte ik zaterdagochtend. De Zwatelpèl heb ik maar laten liggen voor Hofland. Maar hey, iedereen is welkom. Iedereen met serieuze plannen voor iets nieuws in dat grote nieuwe nieuwsdomein mag ‘m hebben. Radio, televisie, joeneem it. Alles is internet tegenwoordig!
20130302 NRC.nl – Het nieuwe zwatelen (S. Montag)